Toen geluk nog heel gewoon was

„Mam, waar is mijn tijgertrui?” schreeuwde Joris geïrriteerd, terwijl hij de keuken instormde. Moeder stond in de keuken met een pollepel in een grote pan rijstebrij te roeren en keek naar haar lange, slungelige zoon met zijn verwarde haar.

„Die zit in de was, jongen. Maar je hebt toch geen trui nodig? Het is een prachtige dag.”

„Vannacht wordt het koud,” antwoordde Joris vastberaden. „Ik heb vannacht iets warms nodig.”

„Vannacht?” Moeder keek Joris verbaasd aan.

„Ja, ik moet vannacht naar de Apple Store. Ik ga even een iPhone 6 ophalen.”

„Een wat?”

„Een iPhone 6, mamma. Ik wil eigenlijk de Pro versie hebben. Te gek nieuw toestel van Apple. Je kunt hem zelfs buigen. Ik ga er mijn verjaardagsgeld voor gebruiken.”

„Oh,” zei moeder en Joris hoorde aan haar stem dat ze er niets van begreep.

De iPhone 6 is een telefoon, mamma. Dat ding kan alles. Ze verkopen hem morgen, maar er is zoveel vraag naar, dat ik voor de deur van de winkel moet gaan slapen. Ik moet er bij zijn om een van de eersten te zijn die hem heeft. Daarom heb ik mijn tijgertrui nodig.”

„Oh,” zei moeder weer. „Slapen op straat? Voor een appeltelefoon?

Joris schudde zijn hoofd. Soms vroeg hij zich wel eens af of hij niet beter op zichzelf kon gaan wonen en hij had het gevoel dat de generatiekloof soms wel erg groot werd.

„Ja, moeder. Op straat,” sprak hij korzelig en stormde daarna de keuken weer uit op zoek naar iets anders om hem door de kille nacht heen te helpen.

Moeder staarde haar 35-jarige zoon hoofdschuddend na.

***

Toen Joris die avond met een klapstoeltje en zijn tablet op het plein voor de Apple Store aankwam, zag hij tot zijn schrik dat hij niet de eerste was. Sterker nog, er stond, of beter gezegd, er lagen al lange rijen van Apple enthousiastelingen voor de grote glazen deur van de winkel. Sommige mensen hadden een vouwbed meegenomen, een had een appelkistje meegenomen waar hij nu op zat, maar de meesten zaten gewoon op de grond en praatten ongedwongen met elkaar over de wonderen van Apple.

Joris sloot aan en klapte zijn stoeltje uit.

„Moet je soep?” vroeg een dik heertje aan hem, terwijl hij met een grote, gele thermosfles zwaaide. „Heb genoeg voor twee.”

„Graag.”

De man toverde een plastic bekertje uit zijn tas en schonk het vol met tomatensoep.

„Lekker,” zei Joris. „Wordt een lange nacht.”

„Zeg dat wel. Maar we maken er het beste van. ‘T is wel gezellig hier,” gaf de man ten antwoord.

Nadat hij de man had bedankt zakte Joris op zijn klapstoeltje neer, stopte zijn oordopjes in zijn oren en zocht naar zijn favoriete muziek. Hij zat zo een tijdje, in gedachten verzonken, voor zich uit te staren.

„Biertje?”

Joris keek op. Er stond een langharige jongen voor hem met een gescheurde spijkerbroek die een blikje bier onder zijn neus schoof.

„Nou graag.”

„Wij moeten elkaar een beetje hellepe hier.” sprak de jongen met een hees stemmetje. „Zijn tenslotte allemaal van de Apple familie, niet?”

Joris schudde van ja en nam het blikje aan. „Bedankt hoor.”

Het was een gezellige boel daar op het plein. Iedereen deelde alles en na ettelijke broodjes, 4 biertjes, nog meer soep, en per ongeluk een kop zure melk, viel Joris rond een uur of 5 in slaap…

„…Wakker worden, joh.” Iemand trapte tegen zijn schenen. De jongeman met de gescheurde spijkerbroek wees opgewonden naar de winkeldeur. „Ze gaan open doen. Het feest gaat beginnen.”

„Maak je klaar!” schreeuwde iemand anders. „Ze hebben niet genoeg apparatuur voor iedereen. Vooral van de iPhone6Pro hebben ze maar een gelimiteerde hoeveelheid. We moeten snel zijn. Heel erg snel.”

Joris wreef in zijn ogen, maar opeens realiseerde hij zich met een schok dat hij echt heel erg nodig naar de WC moest.

Waarom heb ik ook zoveel gedronken. Hij verwenste zichzelf en keek wanhopig naar rechts en naar links. Geen toilet te bekennen. De rij kwam al in beweging. Iedereen begon te duwen en te drukken…De deuren gingen open…

Toen zette Joris het op een rennen. Hij stormde het plein af alsof de duivel hem op de hielen zat op zoek naar een toilet. Sommige Apple enthousiastelingen keken hem verbaasd na. Hij klopte aan bij het politiebureau om te vragen of hij daar misschien even naar binnen mocht.

Maar het was te laat. Tenminste voor de iPhone 6Pro, want toen Joris opgelucht het politiebureau weer uitrende was het geliefkoosde device al verdwenen.

De man van de soep had er wel een. Die kwam breed grijnzend weer langs met zijn glimmende apparaatje stevig in zijn vette handen geklemd, en ook de jongen met het lange haar en de gescheurde spijkerbroek had het kleinood weten te bemachtigen. Joris keek er naar en deed nauwelijks moeite om zijn jaloezie te verbergen.

Rotjongens.

Er restte niets anders dan zijn klapstoeltje weer op te rapen en eenzaam naar huis te sloffen.

„Ze hebben nog de gewone iPhone6,” zei iemand goed bedoelend, die de wanhoop op het gezicht van Joris wel kon aflezen, maar Joris schudde mismoedig zijn hoofd en mompelde dat hij kwam voor de Pro en met niets minder tevreden kon zijn.

***

Moeder vroeg zich die avond af of een nachtje op straat wel zo’n verstandige zet was geweest van Joris, want hij staarde glazig voor zich uit, zei geen woord en had grote zwarte kringen onder zijn ogen.

Ze streelde even liefkozend over haar oude telefoon met de grote draaischijf, die naast haar op het dressoir stond. Geen appelfoon, dat niet, maar hij deed het goed.

Toen geluk nog heel gewoon was, dacht ze stilletjes, maar ze durfde het niet uit te spreken.